Toezicht & Wetenschap — Wisselwerking en stand van zaken

Abstracts

Thema 4 - Vertrouwen in toezicht
Sessieleider: dr. ir. Frédérique Six MBA (Vrije Universiteit Amsterdam)
Dinsdag 21 juni 2011, 15.00 - 17.30 uur


Vertrouwen binnen het toezicht van de IGZ
Operationalisatie en onderbouwing van het begrip vertrouwen       


Lydia Fikkert MSc. (Inspectie voor de Gezondheidszorg), dr.ir. Frédérique Six MBA (VU Amsterdam) en prof. dr. Paul Robben (Erasmus Universiteit, IGZ)
Thema sessie: 4. Vertrouwen in toezicht

Samenvatting

Onderwerp en vraagstelling

Het begrip vertrouwen krijgt in het debat over de Nederlandse samenleving veel aandacht. De overheid hanteert vertrouwen als leidend beginsel bij de inrichting van het openbare bestuur en de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) spreekt zelfs expliciet over vertrouwen in haar motto: ‘voor gerechtvaardigd vertrouwen in verantwoorde zorg’. Inzicht in het begrip vertrouwen - en de praktische toepassing daarvan - is daarom van groot belang. In dit onderzoek staat de vraag centraal in welke mate de beleidspraktijk overeenkomt met wetenschappelijke literatuur. Door dit onderzoek kan de IGZ gedifferentieerder en specifieker omgaan met het begrip vertrouwen.

Methoden en technieken

In drie fasen is onderzocht hoe de inspectie vertrouwen operationaliseert. Om te beginnen is een literatuuronderzoek uitgevoerd naar het begrip vertrouwen. Daarna is de beleidstheorie van de inspectie gereconstrueerd aan de hand van inspectiedocumenten vanaf het jaar 2007. Vervolgens is de beleidstheorie in het licht van de wetenschappelijke literatuur nader bekeken.

Resultaten en discussie

Het literatuuronderzoek resulteerde in vier toetsingscriteria: kenmerken die breed gedeeld worden in de literatuur en die als uitgangspunten dienden voor het toetsen van de beleidstheorie: de betrokkenen (de vertrouwer en vertrouwde), het niveau (organisatorisch versus individueel), de grondslag (redenen, routines en/of reflexiviteit) en de fase (of vorm) van vertrouwen (berekenend, geïnformeerd en geïdentificeerd vertrouwen in geval van individueel vertrouwen en gefundeerd en gecontroleerd vertrouwen in geval van organisatorisch vertrouwen).

Uit de beleidsdocumenten blijkt  dat de inspectie met de instrumenten handhaving, transparantie, publiciteit en verificatie wil bijdragen aan het gerechtvaardigd vertrouwen van burgers in zorg. Tegelijkertijd beseft de inspectie dat aan transparantie en verificatie ongewenste effecten kunnen kleven: zij tasten het vertrouwen van de burger in zorg juist aan. Voor het vertrouwen van de inspectie in de zorgsector gaat de inspectie uit van de instrumenten verantwoording en verificatie.

De kenmerken uit de literatuur vinden nauwelijks weerslag in het IGZ model. Hoewel de IGZ zich realiseert dat – sommige – vertrouwensrelaties fragiel zijn en middelen ongewenste effecten kunnen hebben, houdt zij in de praktijk te weinig rekening met de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek. De IGZ gebruikt vertrouwen als containerbegrip en differentieert nauwelijks. Dit maakt het moeilijk om gericht aan vertrouwen te werken. De IGZ baseert haar vertrouwen met name op reflexiviteit - een proces van vertrouwen bouwen én behouden. Echter, juist redenen zijn van belang voor vertrouwen maar deze – de competenties en intenties van zorgaanbieders waardoor de IGZ (gerechtvaardigd) vertrouwen kan hebben in verantwoorde zorg – zijn onvoldoende uitgewerkt.


Terug naar boven


 

Hoe landelijk inspectiediensten omgaan met systeemtoezicht

Dr. ing. Martin de Bree MBA (Erasmus Instituut Toezicht & Compliance, Next Step Management B.V.)
Thema sessie: 4. Vertrouwen in toezicht

Samenvatting

Onderwerp en vraagstelling

Dit artikel beschrijft wat inspectiediensten verstaan onder systeemtoezicht en hoe zij deze vorm van toezicht toepassen. Dit artikel laat zien hoe een achttal toezichthouders (milieu, veiligheid, transport, zorg, financiële sector, belastingen, voedsel- en productveiligheid) of combinaties van toezichthouders omgaan met systeemtoezicht. Hierbij is het de bedoeling om antwoorden te krijgen op de volgende vragen:
 

  • Wat wordt bij de acht bestudeerde toezichthouders onder systeemtoezicht verstaan?
  • In welke situaties achten zij systeemtoezicht een geschikt instrument?
  • Hoe beoordelen zij of bedrijven daadwerkelijk hun maatschappelijke verantwoordelijkheid waarmaken?
  • Kan de toezichthouder volstaan met een beoordeling van het systeem of doen zij af en toe ook een ‘ouderwetse’ inspectie?
  • Maken toezichthouders bij de uitvoering van systeemtoezicht gebruik van de werkzaamheden van derden zoals certificerende instellingen?
  • Ervaren de toezichthouders dat van systeemtoezicht een lerend effect uitgaat waardoor bedrijven beter maatschappelijke risico’s gaan beheersen?
  • Worden bedrijven die in het kader van zelfcontrole en continue verbetering hun eigen overtredingen ontdekken en bekend maken, minder zwaar bestraft?

Methoden en technieken

Het voor dit artikel gebruikte empirische materiaal is verzameld door middel van persoonlijke en telefonische interviews met specialisten van de betrokken toezichthoudende instanties en bestudering van relevante beleidsstukken en andere documenten.

Resultaten en discussie

Belangrijkste conclusies zijn:

  • Er blijken grote verschillen te zijn in zowel de gebruikte definities en begrippen als in de praktische toepassing van systeemtoezicht.
  • Systeemtoezicht is niet alleen een manier om aan te sluiten bij de managementsysteem van het bedrijf ‘as they are’. Het maakt het de toezichthouder ook mogelijk om een leerprikkel te geven aan het bedrijf om de borging van regelnaleving en de risicobeheersing te verbeteren. Hierbij moeten wel voorwaarden gesteld aan de bedrijven die in aanmerking komen voor deze vorm van toezicht en aan de wijze van uitvoering. Tevens moet worden bedacht dat een bestraffende toezichtstijl zich slecht verhoudt met systeemtoezicht en het leerproces kan frustreren.
  • Voor de toezichthouder is het bij systeemtoezicht van belang een juiste balans te vinden. Enerzijds mag de toezichthouder niet te goedgelovig zijn en vanuit naïviteit het bedrijf teveel ruimte geven omdat dan té grote risico’s kunnen optreden. Anderzijds mag de toezichthouder niet ‘doorslaan’ in overmatige en gedetailleerde systeemeisen en controles die de handelingsvrijheid van bedrijven en de leerimpuls weer teniet doen.


Terug naar boven


Kwaliteitspercepties in het veld versus kwaliteitspercepties van de toezichthouder. Een vignetstudie in en rond het mbo onderwijs

Drs. Margriet van der Sluis (Universiteit Maastricht)
Thema sessie: 4. Vertrouwen in toezicht

Samenvatting

Onderwerp en vraagstelling

Een van de voorwaarden voor effectief toezicht is de herkenning en erkenning vanuit het veld voor het beleid en de daaruit voortvloeiende normen (Ministerie van Justitie, 2006). In deze studie gaan we na in hoeverre ideeën over onderwijskwaliteit in het onderwijsveld zelf verschillen van die van de vertegenwoordigers van het beleid. We doen dit in het beroepsonderwijs omdat juist daar het stellen van eenduidige normen voor kwaliteit niet eenvoudig is; er worden ongeveer 1200 opleidingen aangeboden die elk opleiden voor een ander beroep. De onderzoeksvraag die we willen beantwoorden is: Hoe maken studenten, ouders, docenten en werkgevers afwegingen tussen verschillende aspecten van kwaliteit van beroepsonderwijs en in hoeverre verschillen deze afwegingen van die van beleidsmedewerkers en inspecteurs?


Methoden en technieken

De kwaliteit van het beroepsonderwijs is voor de studie vertaald in negen kwaliteitsaspecten van een opleiding (behaalde diploma’s, tevredenheid werkgevers, taalniveau van de studenten, lesuren, uitdaging, begeleiding bij de beroepspraktijkvorming, aandacht voor burgerschap, tevredenheid over de docenten en structuur). Voor het meten van het belang van deze kwaliteitsaspecten voor de respondenten is gebruik gemaakt van een vignetopdracht. Bij de vignetmethode, of conjoint analysis  (Biesma, 2007; Shukla, 1992) waardeert de respondent in plaats van afzonderlijke aspecten het gehele product, en geeft de onderzoeker zo de kans het relatieve belang van de aspecten te achterhalen. De respondenten moesten (hypothetische) opleidingen ranken, op basis van de steeds wisselende waarden per kwaliteitsaspect. De vignetstudie is afgenomen bij studenten, docenten en aan de opleiding gelieerde werkgevers van drie mbo-opleidingen op drie ROC’s en inspecteurs en beleidsmedewerkers van het ministerie van OCW, directie BVE. In totaal hebben 600 respondenten deelgenomen aan het onderzoek.

Resultaten en discussie

Tevredenheid van werkgevers, behaalde diploma’s en uitdaging zijn voor inspecteurs en beleidsmedewerkers relatief de belangrijkste kwaliteitsaspecten van het mbo. Tevredenheid van werkgevers blijkt voor alle groepen belangrijk; dit is daarmee een gezamenlijk gewaardeerde indicator van kwaliteit. Behaalde diploma’s is ook voor de studenten zeer belangrijk, maar beduidend minder voor de werkgevers, docenten en ouders. Structuur en burgerschap, waaraan door de werkgevers, docenten en ouders aanzienlijk belang wordt gehecht, waren voor de inspecteurs en de beleidsmedewerkers minder doorslaggevend. De studie brengt in beeld dat spelers in het onderwijsveld gemeenschappelijke waarden hebben maar ook verschillende afwegingen maken als het gaat om onderwijskwaliteit. Inzicht in deze percepties op kwaliteit kan de toezichthouder gebruiken om eigen werk te evalueren (kijken we wel naar de goede dingen) en het toezicht af te stemmen op het veld.


Terug naar boven


 

Geen nieuws en ander nieuws

Drs. Herman de Bruine (Universiteit Twente), drs. Peter Noordhoek (Northedge Opleidingen BV) en Jos Tjon Tam Pau (Authentiek)
Thema sessie: 4. Vertrouwen in toezicht

Samenvatting

Onderwerp en vraagstelling

Benaderingen in toezicht gebaseerd op het klassieke risico-denken - waarin training van medewerkers, regelgeving en naleving daarvan centraal staan - lijken een noodzakelijke maar onvoldoende benadering om ongelukken te voorkomen.
Hoe kunnen concepten uit High Reliability Organizing en Resilience Engineering gebruikt worden om deze benadering aan te vullen en de kans op catastrofale fouten en ongelukken te verminderen?

Methoden en technieken

Binnen verscheidene sectoren (onderwijs, dienstverlening, openbaar bestuur) is onderzoek gedaan met behulp van een vorm van survey feedback onderzoek op basis van een actievragenlijst van Weick en Sutcliffe en een door Vogus en Sutcliffe gevalideerde vragenlijst.

Resultaten en discussie

Gebruik van de vragenlijsten gaf een indicatie van disfunctioneel gedrag in interacties binnen organisaties. Dit vermindert de betrouwbaarheid lijkt de kans op ongelukken te vergroten. Daarmee is het relevant, zowel vanuit het perspectief van het beschouwen van toezicht objecten, als vanuit het perspectief van het effectief toezicht houden zelf.
 


Terug naar boven


 

Integraal toezicht op maatschappelijke problemen niet eenvoudig

Ir. Suzanne Rutz (Inspectie voor de Gezondheidszorg) en dr. Antoinette de Bont (Erasmus Universiteit)
Thema sessie: 4. Vertrouwen in toezicht

Samenvatting

Onderwerp en vraagstelling

Beter toezicht, dat wil zeggen strengere handhaving en meer samenwerking in toezicht, wordt gepresenteerd als oplossing voor maatschappelijke problemen. De vraag is of en hoe strenger toezicht en intensieve samenwerking samen kunnen bijdrage aan de oplossing van maatschappelijke problemen. Hoe  krijgt handhaving vorm wanneer normen niet kunnen worden gesteld, omdat onzeker is welke oplossingen effectief en acceptabel zijn? Hoe biedt meer samenwerking aanknopingspunten voor toezichtrelevante aanbevelingen?

Methoden en technieken

We hebben deze vraag bestudeerd aan de hand van de casus Integraal Toezicht Jeugdzaken (ITJ), een samenwerkingsverband van vijf rijksinspecties. ITJ kijkt in hoeverre lokale organisaties een maatschappelijk probleem rondom jongeren gezamenlijk oplossen. In de werkwijze van ITJ is samenwerking belangrijk, zowel met inspecties, organisaties als jongeren en ouders. Gegevens voor het onderzoek zijn verzameld door een project te volgen over hulp aan kinderen die leven in armoede, via observaties en informele gesprekken met leden van de projectgroep. Daarnaast zijn projectstukken bestudeerd, evenals de gegevens die ITJ voor het toezichtproject verzamelde.

Resultaten en discussie

Het is niet eenvoudig om te beoordelen in hoeverre organisaties uit (jeugd)zorg, welzijn, onderwijs, veiligheid en werk en inkomen er in slagen om de consequenties van opgroeien in armoede voor kinderen te beperken. Er is weinig kennis over effectieve methoden voor de integrale aanpak van armoede. Ook is er discussie over welke consequenties van armoede voor kinderen als probleem worden gezien. Daarom ontbreken duidelijke normen voor toezicht en is de basis voor samenwerking smal. Hoewel het de bedoeling is om integraal toezicht te houden, bestaat de neiging problemen te vereenvoudigen tot deelproblemen en deeloplossingen te formuleren in plaats van integrale oplossingen. Met participatieve methoden slaagt ITJ erin toezicht wel integraal te maken. Interviews met jongeren en ouders en bijeenkomsten met professionals, managers en beleidsmakers leveren de betrokken organisaties veel nieuwe inzichten op. Ons onderzoek laat zien dat rondom het onderwerp armoede de beperkingen van integraal toezicht -gebrek aan effectieve interventies en gebrek aan consensus- zwaarder wegen dan de kracht van integraal toezicht - de winst van participatieve methoden voor begrip en de aanpak van de problematiek. Een belangrijke verklaring ligt in de traditionele regulatieve context waarin toezicht wordt uitgevoerd, met name in de wijze waarop de inspecties de probleemdefinitie bepalen, de focus die wordt gelegd op gemeenten en de noodzaak tot handhaafbare aanbevelingen.


Terug naar boven


 

Vertrouwen bouwen in inspectierelaties: de rol van relatiesignalen

Dr.ir. Frédérique Six MBA (Vrije Universiteit Amsterdam)
Thema sessie: 4. Vertrouwen in toezicht

Samenvatting

Onderwerp en vraagstelling

In de laat-moderne maatschappij is toezicht een onvermijdelijk kenmerk van public governance; sommigen spreken zelfs van de ‘audit society’ of ‘regulatory capitalism’. Ondanks de breed gedragen inzichten dat de meeste onder-toezicht-gestelden gemotiveerd zijn om regels na te leven vanuit sociale relaties en morele oordelen (Tyler, 2006) en dat vertrouwen een belangrijke factor is in het stimuleren van naleving ( Murphy, 2004), besteedt de responsieve toezichttheorie - de dominante toezichttheorie (Ayres en Braithwaite, 1992) – onvoldoende aandacht aan het proces van vertrouwen bouwen in de inspectierelatie. De responsieve toezichttheorie is gebaseerd op deterrence-based vertrouwen, wat geen vertrouwen is maar wantrouwen (Six, 2010; Six, 2012).

Relatiesignalen zijn belangrijk voor vertrouwen bouwen (Six en Sorge, 2008) en relatiesignaaltheorie wordt gebruikt om proposities te formuleren die laten zien hoe het proces van vertrouwen bouwen en in stand houden werkt binnen de relatie tussen inspecteur en onder-toezicht-gestelde. Menselijk handelen wordt gestuurd door verschillende frames. Onder-toezicht-gestelden die vanuit een normatief frame handelen letten op relatiesignalen in het handelen van inspecteurs, omdat zij een relatie met hen willen opbouwen en maatschappelijk aanvaardbaar willen handelen; zij zijn daarmee betrouwbaar. Andere onder-toezicht-gestelden handelen vanuit een eigen-belang frame en reageren niet op relatiesignalen; zij zijn niet betrouwbaar en verdienen een strikt handhavingregime. Frames staan open voor beïnvloeding van buitenaf en contextfactoren en acties die de stabiliteit van frames beïnvloeden worden geïdentificeerd.

Resultaten en discussie

De grote uitdaging in inspectierelaties is om onterechte escalatie naar steeds strengere sancties te vermijden. Relatiesignaaltheorie reikt verklarende mechanismen en voorwaarden aan. Bijvoorbeeld, zowel inspecteur als onder-toezicht-gestelde moeten de inter-persoonlijke en reflexieve competenties hebben om in ambigue situaties toch vertrouwen te kunnen bouwen. Vaak wordt niet aan deze voorwaarden voldaan.

Dit onderzoek formuleert proposities voor het proces van vertrouwen bouwen in inspectierelaties die in empirisch vervolgonderzoek getoetst worden.

Referenties

Ayres, I. and J. Braithwaite (1994). Responsive regulation: transcending the de-regulation debate. Oxford: Oxford University Press.
Murphy, K. (2004). The role of trust in nurturing compliance: a study of accused tax avoiders. Law and Human Behavior, 28, 187-210.
Six, F.E. (2010). Vertrouwen in toezicht. Tijdschrift voor Toezicht, 1 /4: 6-26.
Six, F.E. (2012). Trust in regulatory relations: how new insights from trust research improve regulation theory.  Public Management Review.
Six, F. E. and A. Sorge (2008). Creating a high-trust organization: an exploration into organizational policies that stimulate interpersonal trust building. Journal of Management Studies, 45(5), 857.
Tyler, T.R. (2006). Why people obey the law, second edition. Princeton University Press.


Terug naar boven