Toezicht & Wetenschap — Wisselwerking en stand van zaken

Abstracts

Thema 2 - De structuur en organisatie van het toezicht: de spanning tussen politiek en expertise
Sessieleider: dr. Kutsal Yesilkagit (Universiteit Utrecht)
Dinsdag 21 juni 2011, 15.00 - 17.30 uur


Toezichthouders tussen autonomie en interdependentie

Dr. Koen Verhoest (KU Leuven) en drs. Jan Rommel (KU Leuven)
Thema sessie: 2. De structuur en organisatie van het toezicht: de spanning tussen politiek en expertise 


Samenvatting

Onderwerp en vraagstelling

Over toezichthouders wordt vaak gezegd dat ze in zekere mate zelfstandig beslissingen moeten kunnen nemen, onafhankelijk van andere actoren. Ze hebben een unieke expertise van het veld en worden minder beïnvloed door politieke motieven, waardoor hun optreden meer credibiliteit zal genieten bij gereguleerde doelgroepen.

De mate waarin een toezichthouder krachtig kan optreden hangt echter deels af van hoe die toezichthouder vormgegeven wordt en hoe die ingebed is binnen het bredere regulerend arrangement. Meer specifiek formuleren we in deze paper twee onderzoeksvragen: 1) Welke autonomie hebben toezichthouders ten opzichte van de minister? 2) Hoe stemmen toezichthouders hun activiteiten af met andere actoren en welk effect heeft zulke coördinatie op hun bewegingsvrijheid?

Methoden en technieken

De paper gebruikt data uit twee case-studies van toezichthouders, met name van energieregulatoren en sociale inspecties in Vlaanderen. Deze organisaties hebben beide een zekere mate van formele autonomie maar verschillen met betrekking tot hun organisationele vorm (agentschap resp. departement) en het soort activiteit waarop ze toezicht uitoefenen (economisch resp. maatschappelijk toezicht)

Resultaten en discussie

De mate van autonomie kan sterk verschillen tussen toezichthouders. Toezichthouders in geliberaliseerde sectoren hebben een ruime mate van formele autonomie tegenover de minister, zeker wanneer voormalige monopolisten actief zijn in de geliberaliseerde sector en wanneer vanuit de Europese Unie voorwaarden opgelegd worden mbt de vormgeving. De formele autonomie verschilt van de feitelijke autonomie die de toezichthouders in de praktijk ervaren. Zo kan de druk van de voormalige monopolist ertoe leiden dat de toezichthouder meer nauwgezet gestuurd wordt door de minister. Bovendien bestaat autonomie uit verschillende dimensies en scoren organisaties vaak verschillend voor elke dimensie. Zo zien we dat sommige toezichthouders heel autonoom zijn mbt het beheer van de eigen organisatie maar niet betrokken worden bij het tot stand komen van nieuw beleid, en vice versa.

Daarnaast zien we dat toezichthouders steeds vaker netwerken vormen waarin ze elk een deel van de bevoegdheid hebben. De aanwezigheid van andere actoren kan tegengestelde effecten hebben. In bepaalde gevallen kan het de beslissingsruimte voor toezichthouders substantieel inperken, bijvoorbeeld wanneer de toezichthouder de toestemming van een andere actor nodig heeft. In beide case studies zien we echter ook dat contacten met andere toezichthouders soms kunnen toelaten om de eigen expertise te verhogen, zodat de rol van de toezichthouder toeneemt. Zo worden energieregulatoren als gevolg van hun contacten op Europees niveau door de eigen minister meer gevraagd om advies te geven over nieuwe beleidsmaatregelen.

Terug naar boven


Het dienen van meerdere heren

Dr. Sandra van Thiel (Erasmus Universiteit)
Thema sessie: 2. De structuur en organisatie van het toezicht: de spanning tussen politiek en expertise 


Samenvatting

Door fusies van inspectiediensten en toezichthouders werken steeds meer organisaties voor meerdere ministeries (opdrachtgevers). Dit kan leiden tot coördinatieproblemen, zeker in het geval van belangentegenstellingen tussen de ministeries. Op basis van de stewardship theorie zal worden geschetst welke problemen zich (kunnen) voordoen in een situatie waarin een toezichthouder voor meerdere ministeries werkt, hoe dit kan worden verklaard en welke ingrediënten nodig zijn voor een effectieve sturingsrelatie.

Vraagstelling: hoe kunnen toezichthouders en inspectiediensten die voor meerdere ministeries of opdrachtgevers werken, deze opdrachtgevers het beste dienen.

Methode: theoretische analyse.

Resultaten: praktische aanbevelingen.

Terug naar boven


Vertrouwen op certificering van kleine bedrijven: Niet doen! Of toch? Over samenwerking tussen toezichthouders, onder toezicht gestelden en certificeerders

Drs. Haiko van der Voort (TU Delft)
Thema sessie: 2. De structuur en organisatie van het toezicht: de spanning tussen politiek en expertise 

Samenvatting

Onderwerp en vraagstelling

Publieke inspectieorganisaties beleven zware tijden. Er is een politieke en maatschappelijke eis om het toezicht te verbeteren. In politiek en media wordt bijvoorbeeld meerdere malen de zinsnede ‘falend toezicht’ gebruikt. Tegelijkertijd neemt het aantal inspecteurs af. Er moet meer worden gedaan met minder. Dit verklaart wellicht de hernieuwde publieke aandacht voor zelfregulerende systemen, zoals certificering.

In de literatuur worden publieke toezichthouders gewaarschuwd tegen zelfregulering door sectoren met veel kleinschalige bedrijven. Toch hebben ook initiatieven van zelfregulering in dergelijke sectoren aantrekkingskracht op publieke toezichthouders. Er zijn zelfs legio voorbeelden van samenwerking tussen overheid en zelfregulerende systemen (kortweg ‘co-regulering’). De vraag is tot wat voor problemen kleinschaligheid leidt en hoe deze bestuurlijk opgelost (kunnen) worden.

Methoden en technieken

De aandacht vanuit zowel de beleidspraktijk als vanuit de wetenschap is nogal eenzijdig gericht op het publieke perspectief. Dit terwijl samenwerking idealiter van meerdere kanten moet komen. Ik analyseer co-regulering vanuit drie perspectieven: dat van de publieke toezichthouder, van de onder toezicht gestelden die zichzelf reguleren en van de certificerings- en accreditatie-instellingen. Zij zien allemaal voordelen in samenwerking vanuit politiek-bureaucratische overwegingen, marktoverwegingen, respectievelijk normtechnische overwegingen.

Het paper doet verslag van drie casestudies naar co-regulering: toezicht op de legpluimveehouderij, de uitzendbranche en de touringcarbranche. Het onderzoek bestaat uit 59 interviews met vertegenwoordigers van de drie genoemde perspectieven. Van de drie cases ga ik na hoe de problematiek van kleinschaligheid zich manifesteert en hoe de samenwerkende partijen met deze spanningen omgaan. Vanuit literatuur over crisismanagement onderscheid ik twee manieren van omgaan met de spanningen: anticipatie en veerkracht. Anticipatie is het investeren in tevoren vast te leggen afspraken, veerkracht is het investeren in relaties opdat met de spanningen kan worden omgegaan zodra deze zich manifesteren.

Resultaten en discussie

De cases suggereren onder meer dat nadruk op het mechanisme ‘anticipatie’ op den duur ten koste kan gaan van het onderlinge vertrouwen van de spelers, terwijl een nadruk op veerkracht wel kan leiden tot het vasthouden van dit vertrouwen.

Terug naar boven