Toezicht & Wetenschap — Wisselwerking en stand van zaken

Inspecteren / Toezicht door Inspecties

Ferdinand Mertens


Als jonge medewerker kwam Ferdinand Mertens in 1977 – door toevalligheden – terecht bij de Inspectie van het Onderwijs. Hij vroeg zich al snel af “waar dit over gaat?”. Hij trof er naast overtuiging en liefde voor het onderwijs – voor een inspectie belangrijke dingen - veel verwarring, vanzelfsprekendheden en veel verontwaardiging over te weinig erkenning. Dat was voor Mertens het begin van een zoektocht naar nut en inrichting van toezicht.

In dit boek gaat deze zoektocht door. Ooit tekende hij in een inspectiebijeenkomst op “dat toezicht wetten tot leven moet brengen” en vond dat een mooie formulering. Want waarom zouden mensen en organisaties spontaan gaan naleven? En dat blijven doen? Vaak gebeurt de naleving vanzelf maar vaak ook niet. En meestal om heel begrijpelijke redenen. In de oude wetgeving was te lezen dat het toezicht ‘de bloei bevorderde’ en dat waren formuleringen waarvan ik gruwde omdat ze aanleiding gaven tot veel eigenzinnigheid en weinig samenhang. In die formuleringen lag de opdracht om na te denken over waar het met het stelsel waar het toezicht betrekking op had naar toe moest en dat was op zich een mooie opdracht. Er werd niet bepaald hoe de opdracht uitgevoerd moest worden – dat was open en voorbehouden aan de toezichthouders.

Het toezicht is in de afgelopen jaren stevig in discussie. Er hebben veel ontwikkelingen plaats gevonden maar er staat ook nog veel op de agenda. Maatschappelijk wanneer het ‘goed gaat’ al gauw als overbodig bestempeld maar zo gauw er iets ernstigs gebeurd is de vraag naar toezicht niet van de lucht. Voor de mensen die in het toezicht werken niet altijd gemakkelijk en zeker ook niet altijd opbeurend.

Het boek is voor de ‘mensen in het toezicht’ bedoeld. Het geeft geen recepten en aanwijzingen maar het neemt mee in de ontwikkeling van het denken over het toezicht.

Dit boek is, althans overwegend, geen betoog. Het gaat niet voor of tegen een bepaalde opvatting maar het ontvouwt gedachten en laat ontwikkelingen zien. Tegelijk klinkt zeker op nogal wat punten door wat de auteur er van vindt. Hoewel het vooral belangrijk is te weten waar je heen wilt lijkt het mij ook altijd gepast te weten waar je vandaan komt. Wat nu is kan alleen begrepen worden uit wat gisteren was. En hoewel organisaties hun bestaansrecht ontlenen omdat ze anders zijn dan anderen is het van groot belang dat de organisaties zich openen en ontdekken dat er veel te vinden is in de ‘nabije’ organisaties, hoe anders op het eerste oog. Nieuwsgierigheid om de verwante organisaties echt te willen begrijpen is daarvoor essentieel.

Het boek bevat, naast een meer beschouwend deel, een zestal cases waarmee inzicht gegeven wordt in het werk van landelijke toezichthouders. Van het werk dat nu nog landelijk plaats vindt zal een deel straks worden uitgevoerd op locaal niveau door gemeenten, samenwerkende gemeenten in Regionale Uitvoeringsdiensten en door provincies.

Het toezicht zal de komende jaren anders ingericht worden. Degenen die werken aan die andere inrichting of dat nu op het niveau van de Rijksoverheid is of op het niveau van Provincie en Gemeente, van de ervaringen die in de inspecties opgedaan is gebruik kunnen maken. Het boek wil daarbij helpen. Voor het denken over dit ‘nieuwe toezicht’ bevat het boek veel inspirerend materiaal. Niet door ‘tips’ en ‘handige trucs’ bijeen te brengen maar door concepten en redeneringen te formuleren.

Het boek is zeker ook geschikt om onderwijs in toezicht te ondersteunen.

 

Over de auteur: Ferdinand Mertens (1946) werkte als Inspecteur  Generaal van het Onderwijs en van Verkeer en Waterstaat. Momenteel is hij lid van de Onderzoeksraad voor Veiligheid en was tot voor kort hoogleraar Toezicht aan de Technische Universiteit Delft.

Terug naar boven